Dienstweigeren
Een paar vrienden op de kweekschool weigeren dienst. Ik heb mijn twijfels en ben nog niet zo ver - de euforie van de
bevrijding ligt nog vers in mijn geheugen. En dienstweigeren komt in mijn familie niet voor. Een van mijn broers is
militair in Nederlands-Indië.
In september 1948 kom ik in dienst en word met mijn neus op het militaire apparaat geduwd. Nu ik er lijfelijk bij
betrokken ben, komen de zaken anders te liggen. Krijsend op een manshoge pop afstormen en die met je bajonet doorboren,
ervaar ik als mensonwaardig. Het groeiende besef mensen te moeten verminken of doden omdat ze tot een andere natie
behoren, vind ik ongerijmd en afstotelijk. En ik voel het als een strikt persoonlijke verantwoordelijkheid. Er is geen
idee of instantie waar ik me achter kan verschuilen om zoiets te rechtvaardigen. Na drie maanden geef ik de brui aan
de militaire dienst.
Tien dagen in een cel in de kazerne gevolgd door drie maanden detentie in Nieuwersluis worden mijn deel. Wat in die
tijd voor de overheid speelt, is de vraag of zij met echte gewetensbezwaarden te doen heeft of met deserteurs. Veel
dienstweigeraars verdwijnen in de gevangenis. In mei 1949 worden mijn bezwaren erkend en moet ik burgerdienst
verrichten. Dat wordt eerst een paar maanden ontginningswerk in Drente. We zijn ondergebracht in een barakkenkamp met
een trieste historie. Dan volgt op eigen verzoek een tewerkstelling als leerling-verpleger bij het Rijks Krankzinnigen
Gesticht (RKG) te Woensel bij Eindhoven. Het patiëntenbestand bestaat uit ongeneeslijk verklaarden en gestoorde
oorlogsmisdadigers. We zijn er met zo'n zestig dienstweigeraars om het structurele tekort aan leerling-verplegers in
deze inrichting op te vangen. Bij elkaar zit ik drie jaar in dienst, een jaar langer dan mijn militaire lichting.