VAN AG TOT OEI
Er was een tijd dat 'goeie dag' werd 'goei',
zo kwam het ook dat 'dag' verviel tot 'doei'.
Daar ik dit klets-klats taalgebruik verfoei,
uit ik mijn hoon in schaterend geloei.
Maar ja, de wetenschap spreekt met gezoei
en stelt dat 'doei' in plaats van 'dag' best moei.
Want taal verkeert als al wat leeft in groei,
daarom is 'doei' voor 'dag' goed spraakgedroei.
En moederziel alleen met mijn bekloei
ga ik als antiheld fluks overstoei.
Nog voor 'k mijn sociaal krediet verknoei,
zeg ik heel aangepast 'dadoei, dadoei'.
DE MUUR
Uit vrome en banale drift geboren
een muur als walgelijk voldongen feit.
O Israël, uw ster zal hier niet gloren
al rept u duizend keer van veiligheid.
Een muur, niets triesters kan een volk verdoemen,
maar wie zijn zij die vellen zo'n gericht?
Bezetters, bezig waarheid te verbloemen,
een macht die al wat niet bevalt ontwricht.
Een volk van nooit genoeg en uitverkoren,
de mythe van een land dat was beloofd,
zo heeft het recht op voorhand al verloren,
wie onder ligt wordt van zijn land beroofd.
De wereld ziet de landroofmuur als veste
en weet dat op beton en staal niets groeit,
en Israël moet weten dat ten leste
op 't botte bouwsel slechts apartheid bloeit.
(gepubl. in De Brug, nr. 56, maart 2005)
HEELHEID
Het weidse van het land verruimt terstond
mijn blik. De verten in hun cirkelgang
bevrijden van een dwaze dwang en hang
naar het nabije, geven nieuwe grond.
Serene stilte hangt in d'atmosfeer
en al wat zich beweegt en horen laat
is dans en achtergrondmuziek op maat
van leegte die zó volheid is temeer.
Op afstand de rivier in tijdloosheid
de schepper van dit beeld dat zo volmaakt
het hemelse ballet van kleuren raakt,
een heelheid ingebed in eeuwigheid.
Ik loop, aanschouw de golfslag van de vloed
in zijn terloops bestaan; kom tot besef dat
wat ik steeds tot werk'lijkheid verhef,
de rimp'ling is van een bedrukt gemoed.
STRANDEN
Ik ben klaar wakker van mijn portie pillen,
bij een ervan staat slaaploosheid vermeld.
Ik lig het uit, je hebt hier niets te willen,
je leeft, wees blij, het eind wordt uitgesteld.
Het lange wachten op de dag van morgen
is drukkend, neem die stilte om je heen.
Je bent alleen, berustend, toch met zorgen,
je houdt je groot maar 't hart is niet van steen.
Nee niet van steen, het wordt geacht te kloppen
en liefst met regelmaat in stage gang.
Want stel je voor, het gaat daar plots'ling stoppen…
Nou ja, wat dan? Waarvoor is men nou bang?
Ik sta voor 't raam en zie de lichten branden,
de donkere flat draagt ken'lijk ook zijn last.
Ach ja, de mens gaat onontkoombaar stranden
maar hoe en waar, wanneer, staat geenszins vast.